SCHÖNDELN EN BEUNINGEN
HISTORIE

SCHÖNDELN EN BEUNINGEN
de erfgenamen van “ridder Bernardts de Beuningen”

Auteur: Jos. L’Ortye, pastoori

De vroegere eigenaren van “Schöndeln” in Melick noemden zich ook wel “van Beuningen”. Zo treffen we in het Melicker overlijdensregister met die toevoeging twee telgen van de familie Bernaerdts aan die blijkbaar op Schöndeln woonden en ook in Melick hun laatste rustplaats vonden: ‘Franciscus Xaverius de Bernard a Beuningen’, overleden op 22 februari 1742, en ‘Ambrosius Bernards de Boeningen’, overleden op 23 augustus 17731. Die toevoeging “van (de) Beuningen” verwijst naar een oud leengoed tussen Dieteren en Roosteren, ook wel als Boeningen, Bonningen, Boningen, Bonigen of Boonigen gespeld. Al in 1340 wordt een hof “Boninghen” genoemd, als de bewoners ervan verplicht worden hun graan op de molen bij de Rodebekerhof (aan de weg van Dieteren naar Baakhoven) te laten malen. In 1547 heet het “de winhof tot Booningen int land van Gelre onder den clockslach van Roosteren”2. Zeker vanaf het begin van de 16e eeuw is de Beuningerhof in het bezit van de familie Schenk van Nideggen. Het was Otto Schenk van Nideggen († 1600), heer van Vorst en Horst, zoon van Heinrich, Heer van Walbeck en Brempt, drost van Wachtendonk, en diens tweede echtgenote Anna (Angela) von Vittinghoff genaamd Schell, die het goed vererfde aan zijn schoonzoon (gehuwd met zijn dochter Elisabeth) Hans Friedrich von Calcum genaamd Lohausen of Leuchtmar3. Op 30 december 1602 ontving hij het goed op 30 december 1602 in leen. De hof was toen ruim zes bunder groot4.

In 1648 komen we de Beuningerhof te Dieteren tegen in het testament van “superintendant, raedt ende eerste meester van sijne coninclijcke rekencamere in Gelderlandt” Gerard Graus († 1650) die de hof intussen in eigendom heeft verworven. Om alle misverstanden tussen zijn zoon Albert Thomas Graus enerzijds (die ook al nader wordt aangeduid als ‘De Beuningen’) en Lucretia Adriana Boonecamp, dochter van zijn dochter Maria Clara anderzijds, te voorkomen, bepaalt de testateur daarin dat voornoemde zoon krachtens octrooi van 22 januari 1648 (onder andere) de volgende leen en erfgoederen zal ontvangen: “de leenzaal ofwel mankamer te Dieteren, de leenen tot Coppelen genaamd; de hof te Bonningen ofwel de Bonninghse goederen, voor zover het zijn 2/3 deel betreft, met de landerijen en bemden onder Roosteren en Dieteren gelegen, na de verwerving van de Bonningerhof sinds 12 oktober 1635, de dag van het overlijden van zijn vrouw Adriane d'Anthin, voor en na aangekocht, waaronder: de hof te Roosteren aan het Hovarders Eynde; drie stukken land gelegen op de Oversten Bellick aan de Dam en bij de oude Meulenbeeck; ½ bunder boven op Coecxweerdt; de landerijen, bemden en ‘dieteren’ die tot Bonnigen behoren; de landerijen en goederen te Ophoeven en Op Ham gelegen tussen 't Ham of Salenbroeck en de weg van het Ophoever Land naar het Broeck, om daarbij op Pollenraedt een hof aan te leggen, voor welk doel testateur 1 bunder heeft aangekocht en de rest nog hoopt te kopen en ruilen tegen andere gronden” 5. Dat laatste zal er wel niet zover gekomen zijn, want Gerard Graus kwam twee jaar later al (1650) te overlijden.

Via Gerards jong-overleden zoon Albert Thomas Graus (1620-1657) die zich ook wel “Graus de Boeningen” noemde, kwam “Beuningen” aan diens eveneens jong-overleden nicht (dochter van Albert Thomas’ zus Maria Clara) Lucretia Adriana Boonekamp (1639-1668), sinds 1656 gehuwd met jonker Johan Ivo van Elshout genaamd van Heusden (1617-1676)6, ‘heer van Boningen’7. Het was hun dochter Maria Catharina van Elshout (1657-1722), erfdochter van Schöndeln, die het bezit aan de Mechelse familie Bernardts ook wel genaamd Braze bracht door in 1673 met Joost Bernardts (1642-1705) te trouwen, aanvankelijk advocaat te Mechelen (B), later (1667) raadsordinaris aan het Hof van Gelder te Roermond en sedert 1695 raadsheer in de grote Raad van Mechelen8. Deze “raad Judocus Bernard” vernieuwt dan ook op 10 mei 1677 (onder andere) de leeneed op het goed ter Coppelen in Dieteren9. En ook hij (‘Messire Josse de Bernard’) wordt ’chevalier et seigneur de Boeninghe’ genoemd10. Uit het huwelijk van Joost Bernardts en Maria Catharina van Elshout zijn negen kinderen bekend: Gerardus (Rumoldus) Joseph (1674?), Anna Johanna (1675), Maria Lucretia Anna Antoinetta Catharina (1677), Maria Brigitta (1679), Maria Gertrudis Gerarda (1682), Franciscus Xaverius (1683), Anna Clara Monica (1686), Petrus Johannes Ambrosius (1690) en Maria Clara (1693), allemaal in Roermond gedoopt. Van deze negen zouden er slechts drie in het huwelijk treden. Maria Lucretia Bernardts (1677-1725) trouwde in 1702 met Pierre Ferdinand Joseph Goubau (1680-1749), groot-baljuw van Beveren, heer van Cortewalle en Zyssele. Deze stamde uit een Antwerps geslacht, dat tijdens de zestiende eeuw en de eerste helft van de zeventiende eeuw in de zijdehandel fortuin had opgebouwd. Zijn vader Jean François Goubau (1646-1683), gehuwd met Margaretha Gerardi (1648-1685), had in 1671 het kasteel Cortewalle in Beveren gekocht dat voorheen aan de Gentse familie Triest had behoord11. Lucretia’s zus Maria Clara Bernardts (1693-1760) trouwde in 1717 met Joseph Egidius (de) Schillingh († 1769), secretaris van de laatbank van het adellijk huis Verduynen te Echt. Johannes Ambrosius (I) Bernardts (1690-1773) tenslotte trouwde in 172412 met Maria Isabella Snouck (1684-1762), dochter van Antonius Snouck en Amelberga van Goethem. Isabella, die zich vrouwe van Welle mocht noemen, was weduwe uit een eerder huwelijk met jonker Frans August Annez-Zillebeecke (1686-1722) uit welk huwelijk drie dochters werden geboren: (1) Marie Françoise, later gehuwd met Philippe-Ignace van Landeghem; (2) Amelberge Isabelle, later gehuwd met Augustin Jean van Goethem; en (3) Jacqueline Augustine, later gehuwd met Baudouin Adrien Nys13. Als erfgenaam van haar oom Jacobus Snouck kwam Maria Isabella in het bezit van diens lenen in Bazel (thans deelgemeente van Kruibeke), waaronder de hof Ter Haghen. Bij grondtransacties in de heerlijkheid Cauwerburg zien we Johannes Ambrosius vanaf 1725 meer dan eens optreden als zaakwaarnemer van zijn echtgenote14. Uit het huwelijk van Johannes Ambrosius Bernardts en Maria Isabella Snouck zijn geen kinderen bekend.

Op 11 juli 1722 waren “de heeren de Bernard en Goubeau” al overgegaan tot een deling van het goed Schöndeln en de “Houveraderhoff” (Hoverhof = Genhof) te Melick15. In december van datzelfde jaar mandateerde Franciscus Xaverius Bernardts, die zich bij die gelegenheid “de ’s Hertogentoren” noemde, de raadsverwant P.I. Janssen om naar Brussel af te reizen en aldaar rekening te vragen van de nalatenschap van wijlen Judocus Bernards, gewezen raadsheer van de Grote Raad van Mechelen, omdat hij met zijn broers en zus over wilde gaan tot de scheiding der goederen en om vervolgens zijn aandeel daarin te verkopen. Bij eventuele obstakels of weigering van de mede-erfgenamen was Janssen gemachtigd om de rechtsgang te volgen. Tenslotte zou de raadsverwant van de vrijgekomen middelen alle schulden van Bernardts hetzij in Brabant of elders te voldoen en daarvan behoorlijke rekening te geven16. Na de dood van de ongehuwde Franciscus Xaverius Bernardts (1742) kwam Beuningen (evenals Schöndeln) helemaal in het bezit van zijn broer Petrus Johannes Ambrosius (I) Bernardts (1690-1773)17. Of hij identiek is met “Petrus van Beuningen” is die in 1717 verzocht om met de Tonnedenhof in Melick beleend te mogen worden18, lijkt onwaarschijnlijk. Die wordt later immers Johannes Ambrosius genoemd. Deze liet een half jaar nadat zijn vrouw in 1762 op 78-jarige leeftijd in Beveren overleden was, zijn bezittingen aldaar openbaar verkopen. In de ‘Gazette van Gendt” van 14 april 1763 heet het namelijk: “dat men ten sterfhuyze van vrouw Marie Isabelle Snouck, in haer leven Vrouwe van Welle, ende gezellende van ... Joannes Ambrosius Bernard, Heere van Boeningen, Schundele, etc., overleden binnen de p(a)rochie van Beveren by Antwerpen, zal verkoopen een koetze, harnassuren, berline, wagen, etc., met een peerd oud seven jaeren, midsgaders de schilderyen, meubelen, ende huys-kateylen, ten voornoemde sterfhuyze te bevinden, men zal beginnen op den 18. dezer maend april, ende volgende dagen met voorder advertentie dat men de koetze, berline, harnassuren, wagen ende peerd, midsgaders de schilderyen zal verkoopen op den 20. dito, zynde ’s woendags”. Met de drie kinderen uit Maria Isabella’s eerste huwelijk kwam hij vervolgens op 24 september 1766 overeen dat de goederen in het Waasland (met uitzondering van het leen op Haesdonk dat hij in 1742 werd verworven) aan zijn stiefdochters kwamen, en die in het “Gelder- ende Gulickerlandt” aan hemzelf19. Toen woonde hij al in Roermond, waarmee waarschijnlijk kasteel Schöndeln wordt bedoeld, waar hij een kleine tien jaar later, in de zomer 1773, kwam te overlijden. Hij werd net als zijn oudere broer Franciscus Xaverius in 1742 in de familiegrafkelder onder het koor van de kerk van Melick bijgezet: “(1773) 23 augusti nobilis dominus Ambrosius Bernards de Boeningen, dominus in Schondelen extremis sacramentis munitus obiit et in choro sepultus est”.

Hoewel we ergens de opmerking vonden dat Ludwig von Boineburg (1757-1798) als de (enige?) erfgenaam van ‘Messire Josse de Bernard’ (1642-1705) gold20 (hij was toen echter nog minderjarig), waren het meerdere erfgenamen die op 9 augustus 1774 overgingen over tot deling van de omvangrijke erfenis diens jongste zoon Ambrosius21. Terwijl ‘Beuningen’ (met name de Beuningerbeeemd22) vooralsnog onverdeeld bleef, gingen de Melickse goederen (Schöndeln, de Hoverhof en de Schlouserhof)23 naar de erfgenamen van Johannes Ambrosius’ zus Maria Clara, in leven gehuwd met Egidius de Schillingh. Uit dit huwelijk zijn zeven kinderen bekend: Johannes Albertus (1719), Anna Rosa Josepha (1719), Maria Catharina (1725), Maria Josepha (1727), Franciscus Jacobus Henricus (1730), Maria Theresia (1732) en Aldegonda Francica (1737). Van deze zeven zou alleen Maria Catharina de Schillingh (1725-1783) in het huwelijk treden, en wel in 1754 met de uit Thüringen afkomstige Johann Philipp Karl von Boineburg-Lengsfeld (1728-1798). De andere goederen, waaronder de Wielerhof in Swalmen, gingen naar de erfgenamen van Johannes Ambrosius’ zus Maria Lucretia, in leven gehuwd met Pierre Goubau. Uit dit huwelijk zijn eveneens zeven kinderen bekend: Anne Josèphe Cornélie (1703), Leopold Henri (1704), Claire Albertine Cathérine (1706), Charles Henri Jean (1708), Fréderic Joseph (1711), Marie Josèphe (1714?) en Marie Thérèse (1717). Van deze zeven zouden er maar drie een huwelijk aangaan en voor een nageslacht zorgen: (1) Leopold Henri (1704-1768), stamvader van de tak “Goubau Fuhrmann”; (2) Charles Henri Jean (1708-1776), stamvader van de tak “Goubau de Villegas”; en (3) Marie Thérèse (1717-1787), stammoeder van de tak Goubau de Waepenaert”. Allereerst dus de tak (1) Goubau Fuhrmann, de (enig overgebleven) zoon van Leopold Henri Goubau (1704-1768)24 en Judith Josephe Fuhrmann de Kiaysau (1728-1807): namelijk Ambroise Leopold Antoine Goubau (1747-1828)25, sinds 1780 gehuwd met Claire Caroline Crabbeels d’ Ormendael (1736-1803). Vervolgens de tak (2) Goubau de Villegas, de kinderen van Charles Henri Jean Goubau (1708-1776), heer van Middelswalle en raadsman van de grote raad in Mechelen, sinds 1756 gehuwd met Regina Caroline (Reine) de Villegas de Pellenberg (1722-1794): namelijk (a) Melchior Joseph François Ghislain Goubau d’ Hovorst (1757-1836), sinds 1787 gehuwd met (zijn nicht) Marie Jeanne Julie de Villegas de Pellenberg (1755-1838); (b) Emmanuel Marie Charles Goubau de Bergeyck (1760-1828), sinds 1793 gehuwd met Marie Isabelle Josephine Brouchoven de Bergeyck; (c) Eugène Joseph Marie Ghislain Goubau (1761-1839)26, sinds 1791 gehuwd met Thérèse Jeanne Bernardine Cornélie Simon de Ville (1769-1827). En tenslotte de tak (3) Goubau de Waepenaert, kinderen van Marie Thérèse Goubau (1717-1787), sinds 1743 gehuwd met (ridder) Emmanuel Jean de Waepenaert (1699-1770): (a) Reine Charlotte Josephine de Waepenaert (1762-1822), sinds 1799 gehuwd met Jean Alexandre Ernest Cannart d’ Hamale (1761-1838)27; (b) Joseph Marie Alexandre Annez († 1861), burgemeester van Burcht en Zwijndrecht, zoon van Jean Marie Michel Annez († 1797)28 en Marie Thérèse Josephine de Waepenaert (1753-1815), kleinzoon van voornoemde Marie Thèrèse Goubau; (c) Joseph Ferdinand Marie de Waepenaert de Kerrebrouck (1783-1867), sinds 1806 gehuwd met Adelaide Philippine Caroline de Coninck, zoon van (ridder) Charles Jean Joseph de Waepenaert (1749-1794) en Josyne Ferdinand de Waepenaert de Kerrebrouck († 1801), kleinzoon van voornoemde Marie Thérèse Goubau.

De Goubau’s behoorden niet bepaald tot “de eersten de besten”. Integendeel: jonkheer en sinds 1791 baron Mr. Melchior Joseph François Ghislain baron Goubau d’ Hovorst (1757-1836), die heer van Middelswael en Dieteren wordt genoemd (1776), studeerde rechten in Leuven, was advocaat (1781), daarna raad en rekwestmeester (1788) en advocaat-fiscaal (1789) bij de Grote Raad in Mechelen, keizerlijk kamerheer (1791), in 1794 uitgeweken naar Roermond, en vervolgens naar Wenen, directeur generaal van katholieke zaken (1815-1826), namens de regering onderhandelaar met de Heilige Stoel voor het bereiken van een concordaat waarin hij in 1826 mislukte wegens zijn gehechtheid aan het verlicht despotisme, minister van Staat en lid van de Eerste Kamer (1826), in verband met de Belgische Opstand uitgeweken naar Den Haag (1830) waar hij begin 1836 kwam te overlijden29. Zijn broer jonkheer Emmanuel Marie Charles Ghislain Goubau de Bergeyck (1760-1828) was raadspensionaris van de stad Mechelen (1791-1793), koninklijk geheimraad (1814), lid van de ridderschap van de provincie Antwerpen en vanaf 1816 Staatsraad. Hun broer jonkheer en sinds 1817 baron Mr. Eugène Joseph Marie Ghislain Goubau (1761-1839) was aanvankelijk werkzaam aan het hof van de gouverneur-generaal en sinds 1875 als advocaat bij de Grote Raad te Mechelen, commissaris van het arrondissement Oudenaarde (1787), schepen van het Brugse Vrije (1788), burgemeester aldaar en gedeputeerde in de raad van Vlaanderen (1792), secretaris-generaal van de godshuizen van Brugge (1800), raadsheer van de prefectuur van het departement de la Lys (1804), lid van het corps legislatif (1807), voorzitter van de burgerlijke rechtbank van Mechelen (1809-1810), kamervoorzitter van het keizerlijk hof te Brussel (1811), voorzitter van het Hoof Gerechtshof te Brussel en lid van de Ridderschap van West-Vlaanderen (1816-1830)30.

Maar ook De Waepenaerts mochten er zijn. Emmanuel Jean ridder de Waepenaert (1699-1770) was de zoon van ridder Jean (IV) Marin de Wapenaert, heer van Erpe, griffier van Uitbergen-Overmere en hoofdschepen van het Land van Dendermonde. Zijn broer Charles Philippe de Waepenaert d’Erpe was raadspensionaris van de Grote Raad van Mechelen en diens zoon Jean Philippe de Waepenaert d’Erpe werd raadsheer en rekwestmeester bij de Grote Raad. Andere neven van hem waren Anthon de Waepenaert de Termiddelerpen en (voornoemde) Melchior Goubau d’Hovorst. Op 22 maart 1727 huwde hij met Marie-Louise Thyrin, de dochter van een Gentse schepen van de Keure. Na haar dood hertrouwde hij op 16 juni 1743 met jonkvrouw Marie Therèse Goubau. Uit dit tweede huwelijk werd onder meer Karel de Waepenaert de Kerrebrouck geboren. De Waepenaert studeerde tot 1721 rechten aan de oude Universiteit Leuven waar hij zijn licentiaat behaalde. In 1724 werd hij, zoals zijn vader, ook hoofdschepen van het Land van Dendermonde en in 1758 werd hij bovendien burgemeester van de stad Dendermonde, een functie die hij bleef uitoefenen tot in 1761. Zijn zoon Charles Jean Joseph (Karel) ridder de Waepenaert de Kerrebrouck (1749-1794) was trouwde op 8 januari 1776 met zijn achternicht jonkvrouw Josyne Ferdinanda de Waepenaert, erfvrouwe van Kerrebrouck. Door erfenis en koop slaagt hij er in een omvangrijk patrimonium op te bouwen. Zijn oudste kleinzoon, Louis Joseph, verkrijgt in 1827 de titel van baron. Dit was het gevolg van een specifieke erfopvolgingsregeling in de familie de Waepenaert die stelt dat bij uitsterven van de tak de Waepenaert d’Erpe de titel van baron met recht van eerstgeboorte overgaat op de jongere tak de Waepenaert de Kerrebrouck met naamswijziging van de nieuwe baron. Zodoende wijzigde deze laatste zijn naam in Louis Joseph baron de Waepenaert d’Erpe. Deze erfregeling werd reeds in 1816 door de Hoge Raad van Adel erkend. Karel behaalt zijn licentiaatsdiploma in de rechten aan de oude Universiteit Leuven maar verkiest toch in eerste instantie een militaire carrière. In 1768 wordt Karel kapitein-luitenant en later kapitein in het keizerlijk regiment de Bette (later de Murray) te Dendermonde. Waarschijnlijk bleef hij dit tot 1788 wanneer de plaatselijke vestingen worden gesloopt. Hij wordt schepen (1781-1789) en nadien burgemeester van Dendermonde (1789-1791) en tevens gedeputeerde bij de Staten van Vlaanderen. In 1789 mag hij deze functies uitzonderlijk nog cumuleren met het belangrijke ambt van hoofdschepen van het Land van Dendermonde, een functie die hij vervulde tot aan zijn dood. Bij zijn dood in 1794 wordt hij begraven bij de kerk van Erpe waar zijn grafsteen nog steeds staat (wikipedia).

Naast het gebied “Beuningen” ging het aanvankelijk ook om een gelijknamige hoeve die 7 hectaren groot was. Tegenwoordig ligt er nog altijd een “Beuningerhof” aan de Beuningerstraat in Dieteren, daar waar de Breedenweg erin uitmondt. Deze boerderij moet omstreeks 1922 gebouwd zijn. Van de jaren dertig tot de jaren vijftig van de twintigste eeuw lag ze trouwens aan het tracé van de “stoomtram naar Roermond”. Maar dat even tussen haakjes. Op de kadasterkaart uit 1811-1832 staat evenmin een boerderij op die plek ingetekend. Toch moet er al eerder een Beuningerhof hebben bestaan. Ze komt immers al voor in reeds genoemde testament van Gerard Graus uit 1648. Deze “Bonningerhof”, gelegen binnen het gelijknamige leen, behoorde tot de leenzaal van Dieteren en werd in 1774 door de erven van “ridder Bernards de Beuningen” verkocht, waarmee dus voornoemde Johannes Ambrosius (I) Bernardts (1690-1773), de laatste heer van Beuningen (en Schöndeln) van dit geslacht was. De zeven kopers lijken allemaal mensen uit Roosteren te zijn, waaruit geconcludeerd zou kunnen worden dat het de in de testament uit 1648 genoemde “hof te Roosteren aan de Hovardes Eynde” betrof. Eén van die kopers was Welter Schoffelen die in 1783 de hof in leen verheft namens zijn dan 15-jarige zoon Arnold, zoals het ook elders heet: “den hof zu Beuningen gelegen onder Roosteren met alle sijne landen en bempten, waer van drij morgens gelegen zijn onder Dieteren ende is het leste verheft den 27 februarii 1783 door Arnoldus Schoffelen, inwonder van Roosteren, leenman” 31. Deze Arnold Schoffelen (1769-1849) was in 1769 in Roosteren gedoopt als zoon van Walterus Schoffelen (1737-1807) en Catharina Graus (1735-1814) en kwam er in 1849 ook als weduwnaar van Anna Maria Sieking te overlijden, ten huize van zijn zus Anna Maria Josepha (1783-1850), in haar woning gelegen ter Straaten genaamd, aan de oude kerk.

De leenzaal zelf werd door de erfgenamen van “ridder Bernardts de Beuningen” in 1783 voor honderd Hollandse dukaten verkocht aan ‘Reichsritter’ Jean Paul de Plevits, heer van Petersheim, advocaat en luitenant in het leger van keizer VI. Hij vererfde het goed aan zijn zoon Georges Jacques de Plevits (1758-1825), sinds 1782 gehuwd met Johanna Francisca von Holthausen tot Horst (1764-1791), erfvrouw van Alfens, wier erfgenamen in 1826 overgingen tot scheiding en deling van het ouderlijk goed: niet minder dan 436 percelen grond, gelegen in Nederland, België en Duitsland, waaronder een drietal herenhuizen en nog een aantal pachthoeves32. Maar dat even tussen haakjes.

Bij die erven van “ridder Bernardts de Beuningen” ging het in 1783 om: “Maria Catharina de Boineburg, geboren Schilling, de douairière van den heer Charles Henri Goubau, geboren de Villegas, Maria Theresia Goubau, douarière van Emmanuel de Waepenaert, Aldegonda Francisca de Schilling, en de heer de Boineburg van Lengsfeld” 33. De Beuningerbenden bleven vooralsnog in de familie. Daarbij ging het om “prairies et terres arrables grandes environs 4465 verges provenant de la famille de Bernard Braze et ayant fait parties des biens qui ont servi de titre presbyteral a feu M. l’ abbé de Bernard, lesquels bien après sa mort ont été partagé entre les deux familles de Goubau-Bernard et Schillings-Bernard” 34. Genoemde “abbé de Bernard” betreft Johannes Ambrosius (II) Bernardts (1718-1802). Priester Johannes Franciscus Ambrosius de Bernard kwam op 28 maart 1802 in Kaulille als “vicarius hujus loci” te overlijden35. Dit plaatsje ligt even ten zuidwesten van Weert en behoorde indertijd tot het bisdom Luik. Begin 1744 wordt een Johannes Ambrosius Bernardts samen met zijn gelijknamige vader als doopgetuige genoemd bij het doopsel Johanna Maria Herwegh in Roermond. Waarschijnlijk betreft het dus Johannes Ambrosius Bernardts (1690-1773) uit de periode vóór zijn huwelijk met Maria Isabella Snouck. In ieder geval hadden de Beuningerbenden indertijd als onderpand voor zijn wijding gediend (“titre presbyteral” oftewel “wijdingstitel”). Van wat deze benden opbrachten kon hij (mede) in zijn levensonderhoud voorzien. In het archief van huis Schöndeln bevond zich indertijd (1839) nog een testament van hem (“Johannes Franciscus Ambrosius de Bernard, in leven vicaris te Caulille”), opgemaakt door notaris Brouwers te Peer op 2 januari 178336.

De Goubau’s verkochten de Swalmense Wielerhof (“une ferme avec grange, écuries, jardin, verger et dependances avec environ cent trente un arpents, cent quinze petites verges, tant terres arables, prairies, bois de raspe, sites sous la commune de Swalmen, sous de nom ‘De Wijlerhof’”) in 1801 voor 18.000 gulden Brabants (in francs 38.095,24) aan Henri Joseph baron Michiels van Kessenich (1770-1839) en zijn vrouw Cornelia Jacoba Bosch (1773-1839), renteniers te Roermond. Deze hof wordt al genoemd in het reeds eerder genoemde testament van Gerard Graus uit 1648: “de hof te Wijler onder Swalmen voor zover het de aankoop door testateur betreft, zoals deze met zijn bijbehorende bemden en landerijen in verscheidene velden en vele percelen rondom de boerderij is gelegen, alsmede een bemdje bij de Swalm tegen Wijler gelegen, ½ bunder land bij het einde van de weerd bij de Maas gelegen, 1 morgen land genaamd de Teutenbergh of Teutenbongaert eveneens bij Wijler gelegen, respektievelijk aangekocht van de heer van Hillenraet en van Gerardt Spee” 37. De verkopers verklaarden dat ze de hof geërfd hadden van hun in 1773 overleden oud-oom (“grand-oncle”) Jean Ambroise Bernard die de hoeve sinds 1737 in eigendom had38. Als verkopers worden genoemd: (1) Emmanuel Goubau te Brussel; (2) Judith Fuhrmann, weduwe van Leopold Goubau, met haar kinderen Benoit, Charles, Ambroise en Caroline; (3) Thérèse de Waepenaert, weduwe van Jean Michel de Annez; (4) Reine de Waepenaert en haar man Jean Alexandre Cannart d’ Hamale te Mechelen; (5) de kinderen van wijlen Charles Jean Joseph de Waepenaert (de Kerrebrouck) en Jeanne Josine Ferdinande Waepenaert39. Vreemd eigenlijk dat priester Johannes Ambrosius II Bernardts (1718-1802) niet bij deze erfgenamen genoemd wordt. Of hij om de een of andere reden (misschien vanwege het vruchtgebruik dat hij van de Beuningerbenden) van de erfenis was uitgesloten?

Op 29 juni 1803 verpachtte de douairière de St. Remy 60 hectare grond te Susteren aan diverse personen40. Ongetwijfeld betrof het de Beuningerbenden die toen nog onverdeeld waren. Dat zou echter niet lang meer duren: op 7 juli 1804 ging men namelijk over tot verdeling van dit oude familiegoed. De toenmalige eigenaren waren: “la Dame Aldegonde Françoise Schilling, rentière, et Marie Charlotte de Boineburg, rentière, toutes deux demeurant à Schoendelen, commune de Melik, département de la Roer, assistées pour autant que de besoin de Sieur Joseph Maurice de St. Remy, rentier demeurant au dit Schoendelen, premiers comparants d’ une part; et le Sieur Jean Mathias Schreurs, griffier de la justice de paix de Ruremonde, ij demeurant, fondé de pouvoirs de Sieur Antoine Louis Jacques Danneels, rentier en la ville d’ Alost (Aalst), signe tuteur aux enfans mineurs Joseph Ferdinand Marie, et Marie Angelique Caroline de Waepenaert, enfans de feu Charles Jean Joseph de Waepenaert et de feue Josine Jeanne Ferdinande de Waepenaert, décédés en la ville de Termonde (Dendermonde), (…), plus le dit Sieur Schreurs ainsi fondé de pouvoirs de la Dame Marie Thérèse de Waepenaert, veuve de Jean Marie Michel de Annez, et sa soeur Dame Reine Caroline Josèphe de Waepenaert, assistées et autorisée à cet effet de son marie et bail Jean Alexandre Ernest de Cannaert d’ Hamale, tous particuliers demeurant à Malines (Mechelen), (…); le dit Sieur Schreurs encore fondé de pouvoirs des demoiselles Marie Thérèse Louise, Eleonore Marie Josèphe, et Sabeau Jeanne Marie de Waepenaert, soeurs et particuliers demeurant à Termonde, enfans de feu Charles Jean Joseph de Waepenaert (…); le dit Sieur Schreurs encore fondé de pouvoirs de Sieur Ambroise Goubau Bouvekerke, proprietaire domicilié en las commune de Corbeek Dijle, tant pour lui qui se faisant fort pour ses frères et soeurs (…); le dit Sieur Schreurs encore fondé de pouvoirs d’ Emmanuel Goubau, domicilié en la ville de Bruxelles (Brussel), messire Charles Goubau, capitaine des grenadiers au service de la Majesté l’ empereur d’ Allemagne et Eugène Goubau, domicilié à Bruges (Brugge), (…); enfin le dit Sieur Schreurs encore fondé de pouvoirs de Sieur Joseph Ernest Goubau, rentier domicilié à Bruxelles, tant en son nom propre qu’ au nom de de son frère Benoit Goubau”. In deze akte worden de tussen de families Schillingh en Goubau verdelen goederen (tezamen groot 4465 vierkante roeden) als volgt omschreven en verdeeld: (A) “pré nommé het Doodebroek situé dans les prés dits Beuningerbenden sous Dieteren et Susteren” die naast elf afzonderlijke stukken nog bestond uit “une pièce située à l’ ecluse au Doodebroek de la consistance de soixante onze ares treize centiares estimée à cent cinquante francs deduction faite des charges de l’ entretien d’ une ecluse canal et bords du ruisseau dit Roosterderbeek”; verder nog vier stukken in de “pré nommé de Veulensweijde à Dieteren sous Susteren”; twee stukken in de “pré nommé de Booterbemd à Dieteren sous Susteren”; een stuk “située au Schulberg”; “un pré située dans le Moolenbemden”; “une pièce de terre arrable à coté de Jean Lynen”; en tenslotte “une pièce de terre arrable dite de Neep”, waarvan de totale waarde werd geschat op 4696 francs. Lot B bestond uit de volgende stukken: “un pré situé dans le Veulensweijde”; negen stukken in de “pre nommé le Hoogenkamp sous Dieteren”; “une priarie dite de Roggelweijde”; “un pré dite le Ravenbend”; acht stukken in de “prés situés dans le Booterbend à Dieteren sous Susteren”; “une pièce de pré dite de Keukelaer”; en tenslotte “une pièce de terre arrable joignant Gerard Bocken”, waarvan de totale waarde werd geschat op 4626,22 francs. Lot A werd aan eerstgenoemden (Schillingh) toebedeeld; lot B aan laatstgenoemden (Goubau), waarvan de eerstgenoemden aan laatstgenoemden het verschil in waarde (“quattre vingt francs et quinze centimes”) ter plekke in klinkende munt (“en bonne espèces d’ argent”) uitbetaalden41.

Op de Tranchotkaart uit 1805 vinden we de “Benningerbend” (ongetwijfeld een verschrijving) nog duidelijk ingetekend als één aaneengesloten gebied ten oosten van de Geleenbeek, ter plaatse ook wel “Molenbeek” genaamd42. Eind 1804 vinden we weer een opsomming van de tot de Beuningerbend behorende goederen, als baron de St. Remy van Schöndeln namens zijn vrouw en voornoemde griffier Schreurs namens de familie Goubau overgingen tot publieke verkoop van “des differentes pièces des herbes situés sous Deiteren, marie de Susteren”. Toen bleek het om 41 percelen te gaan43. Na 1807 bleek het echter steevast om 42 percelen te gaan44. Nadat dat de Goubau’s op 9 augustus 1817 tot verkoop van hun aandeel in de Beuningerbeemden aan de douairière de St. Remy op Schöndeln waren overgegaan45 (baron de St. Remy was datzelfde voorjaar overleden), bleek het in 1824 om nog maar 40 percelen te gaan: 26 percelen aan “de sluys onder Dieteren”, een perceel genaamd het “Raver Beemdje”, vier percelen genaamd “de Boterbemd”, zes percelen genaamd de “Lage Beembd”, een genaamd de Keukeler, een genaamd de Meulenbeemd, en tenslotte een genaamd “het Schöndeln Bunder” (Schoendels Boender). In die situatie was drie jaar later (1827) blijkbaar nog niets veranderd46. Toen de douairière de St. Remy op 23 juli 1819 overging tot publieke verpachting van de “zogenaemde Boeninger-Bemden, gelegen onder Dieteren, gemeente Susteren, canton van Sittard”, ging het om 38 percelen, die toen een pachtprijs van “vier hondert acht en dertig nederlandsche guldens” opbrachten47. De naam van de “weduwe baron de St. Remy (te) Schoendelen” of “Madam weduwe St. Remi rentenier (te) Melick” komen we in de eerste kadastrale legger uit 1841 tegen als eigenares van nog maar een handvol percelen die eens van dit grote aaneengesloten gebied deel hadden uitgemaakt. Toen ging het nog om een perceel weiland (B 641) in de “Beunigenbeeumpt” onder de gemeente Roosteren48, een perceel bouwland (A 26), een perceel hooiland (A 40) en een perceel bouwland (A 45) op de “Ubermeer”, een perceel bouwland op de Vieheweide (A 418), een perceel hooiland op de Mekkelenbempden, enkele hooilanden (F 1) op de Roggelsweide en een perceel hooiland (F 25) en een perceel bouwland (F 33) op de Oogel, een perceel hooiland op den Steen (F 89), allemaal gelegen onder de gemeente Susteren49. Blijkbaar had ze er inmiddels al heel wat verkocht.

Toen de kadastrale legger in 1841 werd opgemaakt was ze trouwens al overleden, en wel op 27 december 1838 “’s avonds ten tien ure … op haar casteel Schondele gemeente Melich”, 83 jaar oud. Op de laatste dag van dat jaar werd ze (bij haar man) op het kerkhof van Melick begraven50. Naast anderen zien we in haar holografisch testament uit 1835 ook de nakomelingen van de Vlaamse erven van de Beuningerbenden weer de revue passeren: “baronesse de Goubau de Hovorst wonende te Brussel, vrouwe Xhenemont gebore baronesse de Goubau wonende te Brussel, vrouwe de Fraye de Schiplaken, freule Isabeau de Wapenaert wonende te Brussel, mevrouwe van Grootven gebore Aline van den Vijver wonende te Termonde (= Dendermonde, red.), freule Eleonora de Wapenaert wonende te Termonde, de weduwe Van den Vijver gebore Charlotte de Wapenaert wonende te Termonde, de kinderen van wijlen mevrouw de Mortgat gebore de Wapenaert, den heer de Wapenaert zoon van den heere de Wapenaert, ‘voormaliger kapitein in Oostrijkse dienst’, heer Joseph Annez wonende te Beveren, freule Adele Annez wonende te Beveren, heer August de Cannart d’ Hamale wonende te Bar-le-Duc en freule Louise de Cannart d’ Hamale wonende te Herstal” 51. Allemaal afstammelingen van Clara Charlotte’s oudtante Maria Lucretia Bernardts (1677-1725), gehuwd met Pierre Goubau (1680-1749): (1) Lucretia’s achterkleinkind Eugenie Marie Isabelle Victoire Goubau d’Hoogvorst (1796-1866) van de tak Goubau de Villegas, gehuwd met Dieudonné Henri Etienne Xhenemont (1787-1845); eveneens van de tak Goubau de Villegas: (2) Louise Isabelle Jeanne Eugenie Goubau de Bergeyck (1796-1866), sinds 1818 gehuwd met Pierre François Godefroid de Fraye de Schiplaeken (1781-1857)52; (3) Aline Thérèse Louise van den Vyvere (1811-1861) van de tak Goubau de Waepenaert, sinds 1832 gehuwd met Edmond Joseph Marie Grootven (1807-1863); (4) eveneens van de tak Goubau de Waepenaert: de kinderen van Marie Thérèse de Waepenaert de Kerrebrouck (1777-1814) en Louis Robert Mortgat (1776-1845)53; (5) de reeds genoemde Joseph Marie Alexandre Annez († 1861), ook van de tak Goubau de Waepenaert, burgemeester van Burcht en Zwijndrecht, en zijn nicht Adelaide Thérèse Augustine Annez (1804-1863); en eveneens de tak Goubau de Waepenaert: (6) August Hyacinth Joseph Ghislain Cannart d’ Hamale (1802-1860) die in 1841 zou trouwen met Melanie Barbe Thèrèse de Werbrouck (1819-1887) en zijn ongehuwde zus Louise (1800-1887). Het is niet helemaal zeker wie met “den heer de Wapenaert zoon van den heere de Wapenaert, voormaliger kapitein in Oostrijkse dienst” wordt bedoeld. Waarschijnlijk Joseph Ferdinand Maria de Waepenaert (1783-1867), (enige) zoon van Charles Jean Joseph de Waepenaert (de Kerrebrouck), sinds 1806 gehuwd met Adelaide Philippine Caroline de Coninck (1774-1814) en sinds 1818 hertrouwd met Isabella van Ginderachter (1794-1872).

De enig echte erfgenaam (de anderen kregen allemaal een legaat) was echter Clara Charlotte’s neef van vaderskant: Ludwig Joseph von Boineburg-Lengsfeld (1791-1881) die op slot Lengsfeld (Thüringen) woonde. Naast Schöndeln verkreeg hij ook de goederen in de Beuningerbend gelegen onder de gemeente Susteren en Roosteren. Bij de inventarisatie van haar nalatenschap trof men op Schöndeln nog de volgende documenten aan die betrekking hadden op de Beuningerbenden: “(1) expeditie der koopakte van die goederen door de overleden Mevrouw von Saint Remy geboren Von Boineburg, van de familie Goubeau verleden voor den notaris Hendrik Antoon Milliard te Roermond, den 9 augustus 1817, geregistreerd te Roermond den elfden dito, met eene afschrift der deelinge akte reeds hiervoor onder CC geïnventariseerd, en twee gekwittanceerde wisseltjens, schijnende door de overledene voor slot van koopprijs afgegeven te zijn; (2) eenen brief van den arrondissementskommissaris te Roermond in dato 29 juli 1825 , betrekkelijk de reiniging der Roostersche beek; (3) drie nota’s van metingen en arbeiden gedaan in 1829 en 1830 van en aan de Beuninger bempden” 54. Uiteindelijk zou baron Ludwig als de laatste erfgenaam van de Beuningerbenden het bezit langzaam maar zeker afstoten. In het najaar van 1839 verpachtte hij nog “een perceel akkerland groot circa 80 roeden 63 ellen, gelegen te Dieteren op de Neep, rijnende de Weduwe Custers en Arnold Ophelders; een dito groot circa 36 roeden 7 ellen, gelegen te Dieteren op de Overmeer, rijnende de Sloet en de Beuningerbemdensweg; een dito groot circa 63 roeden 66 ellen gelegen te Dieteren op de Overmeer, rijnende den Heer de Plevitz tezamen voor eene jaarlijksche pachtsoom van 92 franken” aan Jan Hendrik Horens en Jan Leonard Slangen, beide akkerlieden, wonende te Dieteren, die genoemde percelen “solidaerlijk in pacht namen55. In het najaar van 1849 verkocht hij aan Theodoor Jan Schulpen en zijn zus Sybilla uit Dieteren voor 630 gulden een perceel bouwland op de Overmeer te Dieteren (gemeente Susteren) groot 56 roeden 61 ellen (sectie A nr. 26) en aan Jan Leonard Slangen, eveneens uit Dieteren, voor 500 gulden een perceel bouwland gelegen in de Neep te Dieteren onder Susteren groot 77 roeden 20 ellen (sectie A nr. 418). Verder verkocht hij bij die gelegenheid voor 300 gulden een perceel hooiland, genaamd het Meulenbempdje te Dieteren, groot 28 roeden 60 ellen (sectie E nr. 554) aan Jozef Custers56.

Alleen de Melicker bezittingen hield hij aan. In 1860 schonk hij onder voorbehoud van het vruchtgebruik (een jaarlijkse opbrengst van 2400 gulden) de blote eigendom van de Hover- en Hammerhof aan zijn nicht Maria Theresia Caroline barones von Boineburg-Lengsfeld (1834-1884), sinds 1856 gehuwd met Maximilian graaf von Rottenham (1820-1886), grondeigenaar en kamerheer van de zijne majesteit de koning van Beieren te Merzbach57. Bij testament van 7 november 1860 vermaakte hij haar ook het landgoed Schöndeln. Toen zij in 1884 zelf kwam te overlijden kwamen de Melicker bezittingen aan haar beide dochters Maria Anna Nathalie Sophie (1860-1945) en Luise Marianne Friederike von Rottenhan (1875-1966) die ze uiteindelijk toch in 1890 van de hand deden.

Met Ludwig baron von Boineburg kwam er een einde aan een lange reeks verervingen die terug te voeren zijn op superintendant Gerard Graus die het leengoed Beuningen in 1635 kocht en in 1650 kwam te overlijden. Met baron Ludwig kwam er ook een einde aan de band die lange tijd tussen Schöndeln en Beuningen had bestaan. Maar er kwam geen einde aan de band van Vlaamse adel met de Roerstreek. Terwijl het landgoed Schöndeln in 1890 werd verkocht aan de Roermondse jonkheer Charles Albert Marie Ernest burggraaf van Aefferden (1854-1922), kwamen de Hover- en Hammerhof in handen erfridder Amedé van der Renne de Daelenbroeck (1835-1904) uit Brugge58. Er bestaat zelfs een band tussen Van der Renne en Goubau, want de overdracht van de Swalmense Wielerhof aan baron Michiels van Kessenich in 1801 vond plaats ten huize van Jan Karel Hendrik van der Renne (1767-1829), wonende te Brussel, Rue de Louvain sectie 6 nr. 2559, Amedé’s grootvader die in 1821 (de overblijfselen van) kasteel Daelenbroek in Herkenbosch had gekocht en zich sindsdien “Van der Renne de Daelenbroeck” noemde. Dit landgoed is van 1821 tot 1972 in bezit na zijn nakomelingen gebleven. De Van der der Renne’s breidden hun bezit hier zelfs uit: naast de Hover- en de Hammerhof, verwierven ze ook de Tonnedenhof in Melick en bouwden ze in Herkenbosch de Beatrixhof (1899).



Noten

1 vgl. Aantekeningen uit de kerkelijke registers van Melick en Herkenbosch in De Maasgouw 47 (1932) blz. 46
2 Prof.dr. M.J.H.A. (Arthur) Schrijnemakers: Codex Nederlands-Limburgse toponiemen (Geleen 2014) blz.431; bij Nijmegen ligt ook een gemeente en plaats met die naam
3 vgl. Andreas W. Driessen op den Bulten, Jos Dirks en Willy Peters: Genealogie Schenck van Nijdeggen op: www.genbronnen.nl
4 Wil Schulpen: Nieuwstadt sinds 12 april 1276 in Heemklank (tijdschrift van de Vereniging Natuurvrienden Susteren) 1996; Wil Schulpen: Geschiedenis van Dieteren op site www.deetere.com; vgl. Limburgs Dagblad 20 november 1920 („Limburgensia 93”)
5 GAR: Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 353, fol. 127-131. Overgedragen aan het hoofdgerecht op 7-3-1650; vgl. Loe Giesen: Het testament van Gerard Graus, eigenaar van de Wielerhof te Swalmen in Jaarboek Maas en Swalm 15 (1995) blz.139-142
6 deze familie zou afstammen van de graven van Kleve, aldus Joseph de Saint-Genois: Monumens anciens – essentiellement utiles à la France, auc Provinces de Hainaut, Flandre, Brabant, Namur, Artois, Liége, Hollande, Zélande, Frise, Cologne et autres Pays limitrophe de l’ Empire deel II (Brussel 1806) blz. 151: “issu des anciens comtes des Clèves”
7 Abraham Ferwerda en Jacobus Kok: Nederlandsch Geslacht, Stam- en Wapenboek deel I (Amsterdam 1785): Stamlijst van het geslacht van Elshout
8
9 RHCL: Hof van Gelder te Roermond, inv.nr. 223/224, fol. 91vs-92, met dank aan Loe Giesen
10 Joseph de Saint-Genois: Monumens anciens – essentiellement utiles à la France, aux Provinces de Hainaut, Flandre, Brabant, Namur, Artois, Liége, Hollande, Zélande, Frise, Cologne et autres Pays limitrophe de l’ Empire deel II (Brussel 1806) blz. 151
11 Carine Goossens: de familie Goubau van Beveren (ca. 1650-1781) in: Vlaamse Stam 2004 blz. 524-525; vgl. ook Guy Schrans: Vrijmetselaars te Gent in de XVIIIde eeuw (1997) blz.194-195: “Goubau, Benoît Fortuné“ (digitaal raadpleegbaar op www.liberaalarchief.be); vgl. ook M. Belvaux: Louise Goubau (1795-1855) et ses seize quartiers d’ ascendance in Le Parchemin nr. 384 (nov.-dec. 2009) blz.401-427
12 RHCL: Huwelijksdispensaties Roermond): aanvraag tot dispensatie dd. 24 januari 1724 door pastoor Portmans uit Roermond
13 Nobiliaire des Pays Bas et du comté du Bourgogne (Gent 1865) blz.41-42 (Annez): “Jean-Ambroise Bernaerds, seigneur de Boeninghen”
14 vgl.www.vanbritsom.com: “Cauwerburg”
15 archiefinventaris Schöndeln (EE), opgemaakt na het overlijden douairière de St. Remy in GAR (1004-12): archief notaris F.W. Milliard Roermond, invent.nr. 12.203 (1839/23vv)
16 GAR: archief Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 326: overdrachten fol.85v (met dank aan Jan Ruiten)
17 Loe Giesen: Toponiemen in Swalmen (Wielerhof) op www.loegiesen.nl
18 G. Venner: Wassenbergse leengoederen in de Roerstreek in Jaarboek Roerstreek 5 (1973) blz.109
19 GAR (1004-4), invent.nr. 4.128 (fol.128-162), akte notaris Dionisy Roermond - overeenkomst dd. 24 september 1766 tussen Johannes Ambrosius Bernard, heer van Boeningen en Schöndelen, en Martinus Josephus Ondereet, advocaat in de raad van Vlaanderen
20 Joseph de Saint-Genois: Monumens anciens – essentiellement utiles à la France, aux Provinces de Hainaut, Flandre, Brabant, Namur, Artois, Liége, Hollande, Zélande, Frise, Cologne et autres Pays limitrophe de l’ Empire deel II (Brussel 1806) blz. 152: “On a trouvé à la mortuaire de ce Baron de Boinebourg plusieurs documens qui concernent la Maison de Bernard. Il était héritier féodal médiat dudit Messire Josse son bissïeul”
21 archiefinventaris Schöndeln (BB), opgemaakt na het overlijden douairière de St. Remy in GAR (1004-12): archief notaris F.W. Milliard Roermond, invent.nr. 12.203 (1839/23vv), op 24 resp. 26 september 1774 geratificeerd door Charles Henri Goubau en Marie Thérèse Goubau douairière de Waepenaert
22 ook in het Gelderse Beuningen kent men een “Beunigerbeemd” …
23 G. Venner: Schöndeln – een hoeve met verleden in Jaarboek Roerstreek 7 (1975) blz. 31-32; vgl. ook G. Venner: Wassenbergse leengoederen in de Roerstreek in Jaarboek Roerstreek 5 (1973) blz.111
24 Sinds 1762 kapitein in het regiment van Arenberg, commandant van de stad en de haven van Nieuwpoort
25 kapitein in het regiment van generaal graaf Joseph Murray
26 burgemeester en schepen van de heerlijkheid Brugge, baron sinds 9 mei 1817
27 heer van Wittegracht (Westerlo)
28 groot-baljuw van Beveren
29 Leo Lindemans: Genealogie Goubau in Vlaamse Stam 40 (2004) blz. 228
30 Leo Lindemans: Genealogie Goubau in Vlaamse Stam 40 (2004) blz. 227
31 Wil Schulpen: Meetboek (Susteren) 1783; idem (?): Leen Zael te Dieteren op www.deetere.com
32 Wil Filott: Agnes Sibilla barones de Plevits en twee vonnissen inzake pachtontbinding in 1860 te Dieteren op de site www.deetere.com
33 A. Wolters: De leenen van het adellijk huis te Dieteren bij Susteren de leenkamer van den Koppelberg in PSHAL 24 (1887) blz.21
34 GAR (1004-7), invent.nr.7505 akte dd. 9 augustus 1817 notaris H.A. Milliard Roermond (1817/262); vgl. ook invent.nr. 7.140: akte dd. 7 juli 1804 (18 Messidor XII) notaris H.A. Milliard Roermond (XII/313)
35 www.geneapage.be/gemeenten/kaulille; navraag naar deze “abbé de Bernard” bij het Luikse bisdom/archief heeft helaas niets opgeleverd (mail dd. 18 november 2014 van Christian Dury, “archiviste diocésain”)
36 archiefinventaris Schöndeln (Y), opgemaakt na het overlijden douairière de St. Remy in GAR (1004-12): archief notaris F.X. Milliard Roermond, invent.nr. 12.203 (1839/23vv); de akte zelf ontbreekt helaas in het notarieel archief te Hasselt …
37 GAR: Hoofdgerecht Roermond, inv.nr. 353, fol. 127-131. Vgl. Loe Giesen: Het testament van Gerard Graus, eigenaar van de Wielerhof te Swalmen in Jaarboek Maas en Swalm 15 (1995) blz.139-142
38 RHCL: Hof van Gelder te Roermond, inv.nr. 206, fol. 64-66, met dank aan Loe Giesen
39 RHCL: Michiels van Kessenich (16.0674), inv.nr. 1345, met dank aan Loe Giesen
40 SASG: akte notaris Th.G. Delahaye Sittard 10 messidor XI (29 juni 1803 nr. 499) ; helaas werd de akte zelf niet aangetroffen
41 GAR (1004-7), invent.nr. 7.140: akte dd. 7 juli 1804 (18 Messidor XII) notaris Milliard Roermond (XII/313)
42 Vgl. Wil Schulpen: Geschiedenis van Dieteren op site www.deetere.com
43 SASG: akte notaris Th.G. Delahaye Sittard dd. 8 messidor XII (27 juni 1804 nr. 794)
44 RHCSG/NA: akte notaris Th.G. Delahaye dd. 8 juli 1807 (nr. 596), dd. 7 juli 1809 (nr. 1062), dd. 9 juli 1810 (nr. 111), 2 juli 1811 (nr. 320), 6 juli 1812 (578), 10 juli 1815 (nr. 99)
45 GAR (1004-7), invent.nr.7505 akte dd. 9 augustus 1817 notaris H.A. Milliard Roermond (1817/262)
46 RHCSG/NA: akte notaris Th.G. Delahaye Sittard 2 juli 1811 (nr. 320), 20 juni 1817 (nr. 467), dd. 19 juni 1818 (nr. 658), dd. 26 juni 1824 (nr. 386), dd. 21 juni 1825 (nr. 462), dd. 22 juni 1827 (nr. 20)
47 RHCSG/NA: akte notaris Th.G. Delahaye Sittard dd. 23 juli 1819 (nr.63)
48 GA(Susteren): kadastrale legger Roosteren (1841) sectie B genaamd “Hoeffaard”
49 GA(Susteren): kadastrale legger Susteren (1841) sectie A “Dieteren Noord”, sectie E genaamd “Bakhoven”, sectie F genaamd “Dieteren”
50 Jos. L’Ortye: de grafstenen in de Melicker kerkhofkapel oftewel: de aloude band van Schöndeln met Melick in jaarboek HVR 47 (2015)
51 GAR (1004-12): invent.nrs. 12.202 en 12.203: akte notaris F.W. Milliard Roermond (1839/23vv)
52 onder-prefect van Lens (Pas de Calais) en later van Mons (Bergen)
53 overgrootouders van de bekende Belgische schilder Fernand Khnopff (1858-1921)
54 archiefinventaris Schöndeln (OO), opgemaakt na het overlijden douairière de St. Remy in GAR (1004-12): archief notaris F.X. Milliard Roermond, invent.nr. 12.203 (1839/23vv)
55 GAR (1004-12): invent.nr. 12.214, akte dd. 24 september 1839 notaris F.W. Milliard Roermond (1839/328)
56 GAR (1004-12): invent.nr. 12.382, akte dd. 14 oktober 1849 notaris F.W. Milliard Roermond (1849/211)
57 GAR (12.485): archief notaris F.W. Milliard Roermond (1860/136); vgl. kadastrale legger gemeente Melick-Herkenbosch, art. nr. 668
58 Jos. L’Ortye: de grafstenen in de Melicker kerkhofkapel oftewel: de aloude band van Schöndeln met Melick in jaarboek Roerstreek 47 (2015) blz.43-56
59 RHCL: Michiels van Kessenich (16.0674), inv.nr. 1345, met dank aan Loe Giesen






Heeft U een suggestie of opmerking, mail naar info@deetere.nl